 |
 |
 |
| |
Van horen zeggen
Pas bij de derde poging gaat de deur open. Ik vraag me af hoe lang het geleden is dat Wirbelwind deze ruimte voor het laatst betrad en of hij de laatste bezoeker was. Erg ordelijk heeft hij het in elk geval niet achtergelaten. De rijen in de boekenkasten vertonen grote gaten, boeken liggen in stapels op de grond. Sommige liggen opengeslagen met hun rug naar boven, bij andere steken stukjes papier tussen de bladzijden uit. Een snelle inspectie van de kasten leert dat daarin getracht is een alfabetische ordening aan te brengen. Onmiddellijk valt me op dat Wirbelwind een liefhebber van Nederlandse literatuur is geweest: vrijwel de meeste bekende werken sinds de Tachtigers zijn aanwezig en daarnaast bevat de bibliotheek ook een groot aantal minder bekende titels. Vooral de dichters zijn goed vertegenwoordigd.
Terwijl ik de rijen een voor een af ga, wordt mijn aandacht getrokken door een schoolschrift met hard kaft dat tussen de boeken is ingeklemd. Ik pak het uit de rij en sla het open. Evenmin als op het kaft staat er iets op het schutblad. Het handschrift op de eerste bladzijde geeft me een vreemde sensatie. Opeens besef ik dat ik het eerder gezien heb, de vraag is alleen waar. Ik begin te lezen, de eerste regel, de tweede, de derde. Langzaam dringt het tot me door dat het papier in mijn handen voor sommigen van onschatbare waarde moet zijn.
Toen ik hem voor het eerst in Les Ouragans bezocht, was Wirbelwind al bijna honderd jaar oud en had hij het kasteel meer dan veertig jaar in zijn bezit. Ik heb nooit kunnen achterhalen op welke manier het zijn eigendom is geworden. Over zijn familie sprak hij nooit en over zijn zakelijke besognes liet hij maar zelden iets los. Niet dat er veel te melden was geweest: al tientallen jaren leefde hij van de rente die zijn vermogen opbracht en afggeleid uit de goede staat waarin het kasteel verkeerde, was dat vermogen aanzienlijk.
Zeker is dat hij als jonge man enige jaren stuurman was op de grote vaart, totdat hij een eigen rederij begon en die in de jaren die daarop volgden met succes uitbouwde.
Getrouwd is hij nooit geweest, zodat al zijn bezittingen na zijn dood hoogstwaarschijnlijk verkocht zouden moeten worden. Hij maakte daar tijdens zijn leven wel eens toespelingen op. Een keer hoorde ik hem zeggen dat hij nog een paar verrassingen in petto had voor zijn executeur-testamentair.
Zijn uitspraken kwamen me weer helder voor de geest toen ik de brief las waarin de notaris me op de hoogte stelde van Wirbelwind’s dood en mij uitnodigde om bij het voorlezen van het testament aanwezig te zijn. Dit laatste verbaasde me enigszins. Hoewel ik wist dat hij weinig mensen in zijn kasteel toeliet, had ik niet verwacht ooit iets met zijn nalatenschap te maken te krijgen. Daarvoor had ik las schrijver te weinig binding met het leven op zee, dat zo lang zijn broodwinning was geweest en waarover hij, als hij zijn stilzwijgen verbrak, het bijna voortdurend in lyrische bewoordingen had.
Wirbelwind woonde niet altijd op Les Ouragans, maar verbleef er vaak tijdens de zomer. Hij ontving er tijdens die perioden naar zijn zeggen soms vrienden, die meestal wekenlang bleven logeren. Wie die vrienden waren, weet ik niet. Ik bezocht het kasteel slechts enkele malen en verbleef er nooit langer dan enkele dagen achtereen. Gedurende die dagen was er naast Wirbelwind, zijn butler en zijn huishoudelijk personeel niemand aanwezig. Bij zijn begrafenis was er evenmin iemand, zo hoorde ik later. Wirbelwind bereikte de leeftijd van honderdnegentien jaar en zowel zijn butler als zuijn vrienden hadden het leven blijkbaar al eerder verlaten. Ik moest verreweg de jongste van zijn bekenden zijn geweest.
Voordat ik afreisde naar Les Ouragans om het testament te horen voorlezen, bezocht ik Wirbelwind’s graf in Loosdrecht. Ik vind het nog altijd moeilijk te begrijpen dat een man die zo bezeten was van de zee genoegen kon nemen met een huis aan een turfafgraving, maar ik heb Wirbelwind niet goed genoeg gekend om daarover verder enige zinnige uitspraak te kunnen doen. De man die dat wel beweert te kunnen, heb ik vanochtend op het kasteel voor het eerst ontmoet. Het bleek dat hij eveneens door de notaris was ontboden, en evenkin als ik op de hoogte was van zijn bestaan, wist hij van het mijne. Van Merwijk was vanaf het eerste moment van onze kennismaking verbazingwekkend openhartig over bepaalde aspecten van zijn afkomst. Zijn moeder, zelf afkomstig uit Willemstad op Curaçao, bracht hem in het begin van de jaren dertig in Loosdrecht ter wereld. In die tijd was ze nog niet getrouwd; pas een jaar na zijn geboorte trad ze in het huwelijk met de handelaar Van Merwijk, volgens zijn geëchte zoon een vriend van Wirbelwind. Van Merwijk vertelde door Wirbelwind volkomen te zijn geaccepteerd en vele tientallen malen op Les Ouragans gelogeerd te hebben. Over het kasteel wilde hij alleen kwijt dat het vroeger anders geheten had. Toen ik hem op de man af vroeg of hij dacht dat hij Wirbelwind’s zoon was, beaamde hij het niet, maar ontkende hij het evenmin.
Mij komt het nog altijd vreemd voor dat Wirbelwind niet de moeite heeft genomen om in zijn testament iets voor zijn zoon te regelen, al is het een ongeëchte zoon. Het kasteel wordt namelijk verkocht en de opbrengst, tezamen met het resterende deel van Wirbelwind’s vermogen wordt verdeeld over een aantal maatschappelijke instellingen met algemeen nut. Het spreekt vanzelf dat ik deze kwestie tegenover Van Merwijk niet ter sprake heb gebracht.
Mijn eerste gedachte bij het zien van Van Merwijk’s gestalte was dat dit een advocaat of een notaris moest zijn, in ieder geval iemand die zich beroepshalve met Wirbelwind’s nalatenschap bezighield. Hij was kaarsrecht en goed gekleed en keek me aan met een blik waaruit voornamelijk onpartijdige distantie sprak. De jonge man in zijn gezelschap hield ik voor zijn klerk. Ik bleek er volkomen naast te zitten. De jongere man was de notaris en de bijna zeventigjarige kwam net als ik luisteren naar zijn voorlezing van Wirbelwind’s testament.
Ik heb Van Merwijk inmiddels leren kennen als een uiterst beminnelijk man en reeds tijdens ons eerste korte gesprek had ik het gevoel met een oude bekende te praten. Behalve een subtiel gevoel voor humor heeft hij ontegenzeglijk een talent voor taal. Verreweg de meeste van zijn grappen zijn woordgrappen. Eveneens vertelde hij me over zijn logeerpartijen op Les Ouragans en over de mensen die hij er ontmoet heeft. Helaas is er tot nu toe veel te weinig tijd geweest om de details te weten te komen, want ook van Merwijk heeft via het testament een taak opgedragen gekregen. Hij mag uit Wirbelwind’s correspondentie de brieven van zijn keuze behouden; de ovrige dient hij te verbranden. Mijn opdracht is eenzelfde selectie uit te voeren in Wirbelwind’s bibliotheek.
Waar één schrift is, moeten er meer zijn. Maar zal het daarbij blijven? Wie zijn hier allemaal te gast geweest? En wat te denken van de mogelijke schat aan brieven die straks door Van Merwijk aan het vuur worden prijsgegeven?
Marije Miedema
 |
De wreker
Gedichten
|
11 December 2007 | 11:39:02
De wreker
Het kan er niet toe doen
hoe hard hij slaat
en wie hij raakt,
hij moet bloed proeven
om te weten dat het smaakt.
Chris Rijsenbrij
Dierenmanieren
over de bundel “Onder de dieren” van Peter du Gardijn
Wat heerlijk is het om, grasduinend in de nieuw verschenen poëziebundels, weinig verwachtend maar hopend op veel, opeens een juweeltje te ontdekken! Het gaat om de dichtbundel Onder de dieren van Peter du Gardijn. Een naam om te onthouden! Du Gardijn heeft niet alleen de gave van het woord, maar vooral ook de gave van de geest.
Bestaat het grootste deel van het hedendaagse poëzieaanbod uit opzichtige woordacrobatiek of zelfkwellende quasi-mystiek, de gedichten van Du Gardijn zijn met recht hilarisch te noemen. Op een heerlijk afstandelijke en ironische wijze laat hij zijn lezers meegenieten van zijn observaties. Het gedicht hieronder illustreert dit treffend:
Leerdicht voor leernicht
Leer looien wil eigenlijk zeggen: leder zacht maken.
Het is een fabeltje dat
leer looien stinkt. Het ontharen kan stinken
maar dat hoeft niet:
bont is ook mooi.
Goed genezen brandmerken
kunnen bij rustieke meubelen
interessante effecten geven.
Lichte vechtsporen
van hoornstoten
worden attractief gevonden.
Ik zeg het niet vaak, maar zo lees je ze tegenwoordig helaas zelden meer. Het aangename van de hele bundel is, dat hij nergens hoogdravend of gezocht klinkt. De taal is bijna alledaags te noemen (hoewel er hier en daar een “moeilijk woord” gebruikt wordt) en dat maakt de gedichten leesbaar en genietbaar. Hier geen bouwsels van geheimtaal en ouderwetse spreuken, dit is een dichter die op straat loopt en hier en daar een woord opraapt van het asfalt, een zin krijgt toegewordpen door een fietser en een paar reclameteksten leest op billboards. Ik denk dat Du Gardijn een echte stadsdichter is, niet iemand van vage verhaaltjes maar een man die de harde kanten van het leven uit eigen ervaring kent. De afstand en de ironie worden zo methoden om te overleven, om zichzelf niet kwijt te raken in de overvloed van indrukken die zich iedere seconde aan hem opdringen.
Het hier en nu is belangrijk voor Du Gardijn, hij ontleent er zowel zijn onderwerpen als zijn woorden aan. Meerder malen kreeg ik de indruk dat zelfs een krantenbericht tot een gedicht kan worden omgevormd. Een voorbeeld:
Jezus
Ik dacht dat Jezus een naam was
maar het is geen naam het is
een lid van de Barnevelder Schaakclub
dat onverwacht kampioen werd.
Een van de aardigste dingen in de bundel is dat er regelmatig door middel van een kleine verschuiving in klank, schrijfwijze of betekenis van een woord een ander woord wordt “gekoppeld”, zodat er een bijzonder ingenieus taalbouwwerk ontstaat. Een paar voorbeelden: ego … echo (over een koekoek), pluimvee … dromen feeën te zijn (over kippen), autoriteit ... parkeerwachter (Wisselgeld) of “bestemming” … “besmetting” (!).
Op meer plaatsen wordt een taalspel gespeeld: “een keel ... zet op” (Et in Arcadia ego II) of “op de fiets zijn zij allen luchtig” (Op klaarlichte dag).
Wat eveneens een bijzonder prettige indruk van de bundel is, is dat Du Gardijn een dichter is met kloten. Hij loochent God en daar doet hij niet geheimzinnig over (zie boven). Hij is geil en hij durft daar voor uit te komen. Geen vage toespelingen op bloemetjes en bijtjes, geen beeldspraak die alleen in de verste verte aan copulatie zou kunnen doen denken, gewoon recht voor zijn raap “KUT” schrijven in een gedicht (tweemaal zelfs!), gewoon duidelijk maken dat je broek gaat bollen van majorettes (!) en jonge meisjes in paardrijkostuum (Speeltuin in Oud-Zuid). En als vlaggeschip dit fantastische gedicht:
Fallocratie
Niet het duwen op
mijn rode knop
doet mij hijgen,
maar het gelul
eromheen
hoe lief is mij
Het is een regelrechte vondst om een stemmachine als erotisch wezen te duiden, juist waar voor het merendeel van de bevolking de politiek synoniem is voor saaiheid en alles-blijft-altijd-bij-het-oude. In de weer zijn met een rood potlood in een klein houten hokje achter een gordijn, het is een sublieme evocatie van het toppunt van intimiteit voor de zelfbevlekker. Hier moet ook de Partij voor de Dieren (die ik sowieso een warm hart toedraag) gebruik van kunnen maken!
Rest mij nog op te merken dat ook de titel van de bundel mij buitengewoon plezierig in de oren klinkt.
Barend van Beesd
Thalassa!
Gedichten
|
19 November 2007 | 19:24:00
Thalassa!
Ogen dicht nu
en stap voor stap
door het duister
duinafwaarts
Op jouw woorden
stem ik mij af
maar het water
kent mij bij naam
en ik roep
tegen de wind in
Chris Rijsenbrij
Lage zon
Gedichten
|
19 November 2007 | 13:49:29
Lage zon
Tegen het vriespunt
van de noordenwind
leunt op de straathoek
iemand zonder jas
zonder stem
zonder naam,
terwijl de zon te laag
de avond in gaat
en ik vraag hem
waarom hij het koud heeft
maar hij zegt
al niets meer
en ik lach
Marije
bij-na
Gedichten
|
19 November 2007 | 10:51:24
bij-na
bij
de crematie
van mijn grootoom
doede van vroegop
ging vrijwel alles mis
de duurbetaalde humanist
die spreken zou
bleek gisteren bekeerd
dronk zich een oordeel
braakte verwensingen
en tante's cake
de buurvrouwen misgunden
de ander het hemelse bed
dat hij met hen deelde
en kijfden om zijn urn
tenslotte sprak de dode
zelf, dankte ons voor
de vurenhouten kist
en wenste ons
volgende keer beter
hij ging heen
daar
na
Barend van Beesd
Verlangen
Gedichten
|
19 November 2007 | 10:48:20
Verlangen
Door de lichte regen
van de vrijdagmiddag
slenter ik afwezig
tot een advertentie
van een lekker geurtje
mij doet watertanden
en mijn slappe handen
op mijn ogen legt.
Op het tegelpad
kom ik tot mijzelf:
eerst een sigaret.
Roxanne van Haastrecht
Stalagmon
Gedichten
|
19 November 2007 | 10:45:27
Stalagmon
druppel
van dat rode
dat rode daar
het spoor
van langzaam
levenloos worden
op asfalt
waar niemand
je opmerkt
en overgaat
tot de orde van de dag
tot de avond
je opneemt
in nevel
die ook mist kan zijn
Chris Rijsenbrij
dit wordt een rood gedicht
Gedichten
|
14 November 2007 | 12:47:24
dit wordt een rood gedicht,
let u maar op, geëerd publiek!
deelnemers, op uw plaatsen
en ... nee, blauw, nu niet smokkelen,
twee stappen terug achter de lijn,
zeg groen en geel, die flesjes
zijn verboden, weg ermee
of je wordt uit de strijd gehaald
en pimpelpaars, als je bezopen
bent, moet je het zelf maar weten
en weg zijn ze! meteen neemt rood
de eerste bocht de leiding al,
oranje in haar slipstream en er is
al een flink gat geslagen, blauw
is van de achtervolgers nu de rapste,
bruin en grijs, nee blauw, nee grijs,
nee zwart komt opzetten, hij overvleugelt
blauw en aan de kop daar zijn oranje
en rood (donkerrood nu) zichtbaar
moe geworden, komen haast niet meer
vooruit en daar is zwart, ja zwart gaat
winnen, duidelijk nu, zwart is weer
in topconditie, zwart, wie nu op zwart
gewed heeft, die loopt binnen
maar wat nu, daar is opeens weer blauw
in eindsprint, blauw loopt blauw aan,
blauw passeert de streep
met neuslengte vooraan
het is een blauw gedicht geworden.
Gilbert Roggeveen
De man die met klanken kegelt
Besprekingen
|
01 November 2007 | 14:01:25
De man die met klanken kegelt
over de poëzie van Frédéric Leroy
Hoewel ik hem al in diverse online tijdschriften had kunnen tegenkomen, maakte ik voor het eerst kennis met de gedichten van Frédéric Leroy op de dichterssite van een niet nader te noemen gristelijke omroep. Hij viel mij daar op omdat hij niet viel in de categorieën zoetgevooisde refo-rijmelaars of proza-hakkers. Leroy was daar een van de weinigen die van klank en ritme kaas gegeten leek te hebben. Hoewel hij niet zo heel jong meer is (van 1974, dus al over de dertig nu), klinken zijn gedichten krachtig en jeugdig:
Dodenmars
En draal niet en maal niet maar sta
nu smalend uit de doden op en klop
de nacht uit loden lakens. Gooi de luiken
open, stap de kamer uit en zet de pas erin,
maar kijk niet om, niet om, nooit om, en ga
niet na of kruimels door harpijen worden opgepikt,
vergeet hoe uit de verte een geliefde je naam roept,
tel je stappen maar herval niet in stilstand, word
geen zoutpilaar, treur niet om afgehakte vingerkootjes,
weggeworpen sieraden, kledingstukken bij elke hellepoort,
vergeet hoe lijken in zee werden gegooid, bijeengeraapt,
hoe klauwen werden geplant in de zwakste van de kudde,
in het weke deel, je weekste vlees, je hagedissenstaart,
je pars pro toto.
Een gedicht als dit is muzikaal, het kegelt de klanken tegen elkaar en er ontstaan meteen nieuwe klanken. Voor een Vlaming gebruikt Leroy opvallend veel krachtige medeklinkers (…of kruimels door harpijen worden opgepikt), zodat de taal Noord-Nederlands klinkt. De beelden die Leroy ons voor ogen tovert doen iets met je, je ontkomt er niet aan en dat is wat goede poëzie met een lezer hoort te doen:
Holokauston
Ook in de herfst hielden we
ons als rovers op in de duinen
met haren vol zand en mist
en de opmerkelijke ernst
van een bende tienjarigen
riepen we oktober uit
tot de maand van het bloed
de dappersten onder ons
sneden met een ruk hun vingers
aan het helmgras, de rest kleurde
met het sap van braambessen
de handen rood
op een klein, cirkelvormig altaar
van schelpen en gedroogde bladeren
verbrandden we joelend een dode mus
als je tien bent ruikt de dood
nooit weeïg, wel scherp en rabiaat,
alsof de wereld brandt.
Een andere prettige eigenschap van Leroy’s poezie is is dat hij zijn klassieken kent en er niet voor terugschrikt om daar vervolgens het zijne mee te doen. Geen omgevallen boekenkasten hier, maar een persoonlijke verwerking van het literaire corpus dat eigenlijk iedereen tussen zijn oren zou moeten hebben:
Odyssee
(Alternatieve opening)
En zing mij, platgevoosde muze,
over bloedvergieten, over hakken
en pletten, een lofzang aan de haat.
Omdat oorlog zinvol is en schepen
in beweging zet.
Behoed me voor het tamme vredesdichten,
laat liever woorden etteren, deze verzen stollen
tot opgedroogde korsten, opdat dit gedicht de tekenen
van strijd zou dragen, niet de tere bloesems
van de amandelboom.
En als je me huiswaarts voert, laat de zee
dan gulzig zijn, meedogenloos en de eilanden
een door vlijmscherpe zon versneden hecatombe,
met een blootgelegd skelet dat als sepia
uit platgetreden aarde steekt.
Het dichten als gevecht tegen de muze gekoppeld aan de gewenste wreedheid van het landschap, het is een schilderij in taal die voortkomt uit een zonder enige twijfel oorspronkelijk dichter. Het wordt tijd dat een grotere uitgeverij dat ook inziet.
Barend van Beesd
|
|
|
|
|