dichtersvannu.punt.nl
De man die met klanken kegelt
De man die met klanken kegelt
over de poëzie van Frédéric Leroy
 
Hoewel ik hem al in diverse online tijdschriften had kunnen tegenkomen, maakte ik voor het eerst kennis met de gedichten van Frédéric Leroy op de dichterssite van een niet nader te noemen gristelijke omroep. Hij viel mij daar op omdat hij niet viel in de categorieën zoetgevooisde refo-rijmelaars of proza-hakkers. Leroy was daar een van de weinigen die van klank en ritme kaas gegeten leek te hebben. Hoewel hij niet zo heel jong meer is (van 1974, dus al over de dertig nu), klinken zijn gedichten krachtig en jeugdig:
 
Dodenmars
En draal niet en maal niet maar sta
nu smalend uit de doden op en klop
de nacht uit loden lakens. Gooi de luiken
open, stap de kamer uit en zet de pas erin,
maar kijk niet om, niet om, nooit om, en ga
niet na of kruimels door harpijen worden opgepikt,
vergeet hoe uit de verte een geliefde je naam roept,
tel je stappen maar herval niet in stilstand, word
geen zoutpilaar, treur niet om afgehakte vingerkootjes,
weggeworpen sieraden, kledingstukken bij elke hellepoort,
vergeet hoe lijken in zee werden gegooid, bijeengeraapt,
hoe klauwen werden geplant in de zwakste van de kudde,
in het weke deel, je weekste vlees, je hagedissenstaart,
je pars pro toto.
 
Een gedicht als dit is muzikaal, het kegelt de klanken tegen elkaar en er ontstaan meteen nieuwe klanken. Voor een Vlaming gebruikt Leroy opvallend veel krachtige medeklinkers (…of kruimels door harpijen worden opgepikt), zodat de taal Noord-Nederlands klinkt. De beelden die Leroy ons voor ogen tovert doen iets met je, je ontkomt er niet aan en dat is wat goede poëzie met een lezer hoort te doen:

Holokauston
Ook in de herfst hielden we
ons als rovers op in de duinen
met haren vol zand en mist
en de opmerkelijke ernst
van een bende tienjarigen
riepen we oktober uit
tot de maand van het bloed
de dappersten onder ons
sneden met een ruk hun vingers
aan het helmgras, de rest kleurde
met het sap van braambessen
de handen rood
op een klein, cirkelvormig altaar
van schelpen en gedroogde bladeren
verbrandden we joelend een dode mus
als je tien bent ruikt de dood
nooit weeïg, wel scherp en rabiaat,
alsof de wereld brandt.

Een andere prettige eigenschap van Leroy’s poezie is is dat hij zijn klassieken kent en er niet voor terugschrikt om daar vervolgens het zijne mee te doen. Geen omgevallen boekenkasten hier, maar een persoonlijke verwerking van het literaire corpus dat eigenlijk iedereen tussen zijn oren zou moeten hebben:

Odyssee
(Alternatieve opening)
En zing mij, platgevoosde muze,
over bloedvergieten, over hakken
en pletten, een lofzang aan de haat.
Omdat oorlog zinvol is en schepen
in beweging zet.
Behoed me voor het tamme vredesdichten,
laat liever woorden etteren, deze verzen stollen
tot opgedroogde korsten, opdat dit gedicht de tekenen
van strijd zou dragen, niet de tere bloesems
van de amandelboom.
En als je me huiswaarts voert, laat de zee
dan gulzig zijn, meedogenloos en de eilanden
een door vlijmscherpe zon versneden hecatombe,
met een blootgelegd skelet dat als sepia
uit platgetreden aarde steekt.
 
Het dichten als gevecht tegen de muze gekoppeld aan de gewenste wreedheid van het landschap, het is een schilderij in taal die voortkomt uit een zonder enige twijfel oorspronkelijk dichter. Het wordt tijd dat een grotere uitgeverij dat ook inziet.
 
Barend van Beesd

















































Reacties

Chris Rijsenbrij op 14-11-2007 12:32
Barend,
 
Bedankt voor deze tip. Ik ben al aan het zoeken geslagen!
Jullie moeten wel iets aan de opmaak van deze pagina's doen, het ziet er niet uit.
 
Groetjes, Chris
Commentaar
Jouw naam/bijnaam
Website url
E-mail
Je Punt profiel
Hou mij op de hoogte
Ik wil op de hoogte gehouden worden
Dit is een verplicht veld
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl